‘If you’re so smart …’

‘If he’s so f*** smart how come he’s so f*** dead?’ zei Jack Nicholson in Prizzi’s Honor (1985). ‘If you’re so smart, how come you’re not rich?’ vraagt de kop boven dit stuk in MIT. De rijkdom in de wereld is verdeeld volgens de bekend 80-20 regel: 80% van alle geld is van 20% van de mensen. Maar intelligentie niet. IQ staat op een smalle schaal rondom 100; er zijn geen uitschieters van 1.000 of 0,1, hooguit 80 of 130. Zelfde met arbeid: mensen werken 20 uur, of 40 uur, misschien 60 uur per week. Maar niet vier keer zo veel als het gemiddelde. Dus het kan niet zo zijn dat rijkdom vloeit naar de grootste slimmeriken of de hardste werkers. Hoe komt het dan dat 20% van de mensheid vele malen rijker is dan de rest? Anders gezegd: ‘er is een discrepantie tussen de verdeling van de Inputs, en de verdeling van de Outputs.’ Wat is het geheime ingrediënt? Geluk. Mazzel. Dat concluderen Italiaanse onderzoekers die een theoretisch model bouwden. Neem een bepaald aantal mensen, strooi willekeurig intelligentie, vaardigheid, fitheid en andere eigenschappen over de groep; en laat willekeurige gebeurtenissen op ze los over een periode van 40 jaar. Voorspoed en tegenslag. Die gebeurtenissen kunnen ze gebruiken om hun fortuin te vergroten, als ze weten hoe ze van die kans gebruik moeten maken. Aan het eind van de 40 jaar bleek: de mensen met het meeste geld zijn niet de slimste of meest talentvolle. ‘Maximum fortuin correspondeerde nooit met maximum talent, en vice versa,’ aldus de onderzoekers. De meest succesvolle mensen zijn degenen die het vaakst geluk hebben gehad.