Charles de Gaulle

‘Met pikhouwelen en geweerkolven omringde de politiemacht van één van de meest beschaafde landen ter wereld enkele honderden donkere mannen, en sloeg ze bruut in elkaar. Daarna werden de mannen in de prachtige rivier gegooid, de rivier die vloeit door een stad die wordt bezongen om zijn cultuur en kunst. De overlevenden lieten ze verdrinken.’ Parijs 1961. Een demonstratie van Algerijnen. Zo begint een bespreking van de nieuwe biografie van Charles de Gaulle, omdat, zegt de schrijver (Peter Hitchens, broer van Christopher), ‘dit een noodzakelijk tegengif is voor de bewondering en sympathie die iedere lezer zal voelen voor een echt grote man, bij het lezen van deze opwindende, geestige, eindeloos ontroerende en prachtig geschreven historie.’

Twee voorbeelden:

‘He looked, more than anything else, like a camel, not least because of the superior expression on his face suggesting that he alone knew the secret One Hundredth Name of God, which camels are supposed to know.’

‘He once became so angry with Churchill that he smashed a chair in his presence to emphasize his rage. Likewise, he defied Franklin Roosevelt over and over again. But he would go home after these battles to sing tender love songs to his daughter Anne, who suffered from Down syndrome. (…) ‘After any long absence from home his first act was to rush up to her room. She died, aged twenty, in his arms. At her funeral, he comforted his wife Yvonne with the words, “Maintenant, elle est comme les autres” (“Now she is like the ­others”), which must be one of the most ­moving things said in the whole twentieth century.’