De vooruitgang

Bespreking van boek getiteld “Where is my Flying Car?”, door een nanotech ingenieur, J. Storrs Hall, te koop op Kindle voor $3,54. Met 600 pagina’s erg lang en soms veel te gedetailleerd, maar zoals deze recensent zegt, wat ik er aan heb overgehouden is hoeveel potentie sommige technologieën hebben.

In de jaren ’50 en ’60 rekenden we er allemaal op dat er ooit wel vliegende auto’s zouden zijn. De Jetsons, nietwaar? Dus waarom zijn ze er dan nog steeds niet, vraagt Hall zich af.

Is het zo’n idee dat goed klinkt, maar in de praktijk niet kan? Omdat ze te moeilijk te besturen zijn? Of te gevaarlijk? Of misschien niet zo nuttig?

Belangrijk is te beseffen dat een vliegende auto – een piepklein privé vliegtuig, dus – niet bestaande ritten sneller aflegt maar ons in staat stelt om de reizen te maken die we nu overslaan omdat ze te veel gedoe zijn. Een weekend weg, een vergadering in Londen, een familiebezoek – middellange afstanden worden makkelijk. Mensen overal ter wereld verplaatsen zich een uur per dag, ongeacht waar ze wonen of hoe rijk ze zijn. De één per auto, de ander blootvoets, een ander te fiets. De vliegende auto zou ons misschien iets vaker doen reizen, maar vooral onze actieradius vergroten.

Na een uitgebreide bespreking van alle mogelijke technologieën en modellen en kosten en baten concludeert Hall: een vliegende auto kan best.

Natuurlijk vreet zo’n ding energie. Daarmee komt Hall op de wetenschap waar hij een groot deel van zijn leven aan heeft gewerkt. Nanotechnologie.

Met nanotechnologie – nu nog theorie, maar wel natuurkundig bewezen kansrijk – zou je op atoomniveau kunnen bouwen. Daardoor niet afhankelijk zijn van materialen: want je maakt je eigen materialen door atomen te rangschikken.

Dat werkt krankzinnig snel. ‘Hall schat dat de hele infrastructuur van de VS  – ieder gebouw, fabriek, snelweg, spoorweg, brug, vliegtuig, trein, auto vrachtwagen en schip – in een week opnieuw gebouwd zou kunnen worden.’ Met dat soort technologie zou je op science-fiction achtige schaal kunnen gaan bouwen: de ‘ruimtepier,’ torens van honderd kilometer hoogte die vracht de ruimte in kunnen schieten. Dan hoef je niet al die raketten en kerosine te gebruiken om aan de zwaartekracht te ontsnappen. Of de ‘weermachine, bestaande uit ziljoenen ballonnetjes van een centimeter doorsnee in de stratosfeer, met spiegeltjes die op afstand bestuurd kunnen worden om licht door te laten of terug te kaatsen; daarmee kun je de aardetemperatuur reguleren en zonne-energie sturen.’

Wij zijn er trots op dat we nu meer welvaart op de wereld produceren terwijl ons energieverbruik afneemt. Maar Hall pleit: waarom denken vanuit beperkingen? Waarom niet werken aan meer energie?

De kracht van de zonnestralen die de Aarde bereiken is 10.000x wat de wereld op dit moment aan energie verbruikt.

En kernenergie kan veel meer. Hall bespreekt talloze voorbeelden.

Energie stuwt onze vooruitgang en onze welvaart, maar onze samenleving is op dit moment bijna ‘energie-avers.’ We willen minder energie verbruiken. Waarom investeren we niet juist meer in energie, en onderzoek naar verantwoorde energiebronnen?

‘Centralisering en bureaucratisering van subsidie’ is een  belangrijke boosdoener. Daardoor krijgt een gevestigde orde macht over geld, en die gevestigde belangen verzetten zich tegen vreemde, nieuwe ideeën. ‘De ivoren toren heeft een slotgracht vol krokodillen.’

Regulering is goed bedoeld maar uit zijn krachten gegroeid. Innovatie wordt erdoor belemmerd. (Zie hoe de ontwikkeling van het coronavaccin wordt bespoedigd door juist grote stukken regulering op te schorten of te schrappen.)

En tot slot is er de ‘counterculture,’ zegt Hall. ‘Sociaal activisme zuigt net zo veel menselijk kapitaal weg als juridisering,’ zegt hij.

Veel getalenteerde jongeren zijn niet meer gemotiveerd door ‘de Vooruitgang’ maar door conservatisme. Als je buurman bezig is de Planeet te Redden dan lijkt het opeens heel minderwaardig om je bezig te houden met gezond drinkwater, of wegonderhoud, of bruggen bouwen.

Uiteindelijk bevat ‘Waar is mijn vliegende auto’ dus een agenda, en stokpaardjes. Maar het is vooral een pleidooi van een hartstochtelijk wetenschapper voor ongebreidelde nieuwsgierigheid en geloof in de Vooruitgang.