De vrije markt

Je hoort de laatste tijd regelmatig ‘kapitalisme heeft z’n beste tijd wel gehad’ en ‘de vrije markt werkt niet’ en ‘het wordt tijd voor een nieuw economisch model’ of zoiets. De vraag is dan altijd: wat dan? Welk systeem is minder slecht dan het huidige? Het is voor de meeste economen geen nieuws dat je ‘de vrije markt’ niet zijn gang moet laten gaan. Econoom Noah Smith herinnert ons er aan dat zijn vakgenoten door de eeuwen heen altijd interventionistisch zijn geweest, te beginnen bij Adam Smith. Van wie meteen vijf citaten:

  1. ‘Onze handelslui en werkgevers mopperen veel over de nadelige gevolgen van hoge lonen, die de prijs van goederen verhoogt en de omzet verlaagt. Ze zeggen niets over de nadelige gevolgen van hoge winsten. Als het gaat over de gevaren van hun eigen winst, dan zwijgen ze.’
  2. ‘Het is niet zo onredelijk te vragen dat de rijken bijdragen aan de samenleving, niet slechts in evenredigheid tot hun inkomsten, maar zelfs iets meer dan dat.’
  3. ‘Geen enkele samenleving kan toch welvarend en gelukkig genoemd worden als de grote meerderheid arm en miserabel is?’
  4. ‘Als er ergens een groot bezit is, dan is daar ook grote ongelijkheid. Voor iedere rijke man moeten er minstens vijfhonderd arme zijn. De rijkdom van de enkeling veronderstelt de behoeftigheid van velen.’
  5. ‘Als mensen uit hetzelfde vak elkaar ontmoeten, al is het maar voor jolijt en vermaak, dan komt het gesprek vroeg of laat, maar bijna altijd, uit op het onderwerp: hoe kunnen we samenspannen tegen het publiek, of hoe kunnen we de prijzen verhogen.’

Smith (Noah, niet Adam) citeert vele andere invloedrijke economen. De school van ‘laissez faire’ en ‘de overheid is uw vijand’ is een relatief nieuwe en nog steeds marginale stroming onder economen, zegt hij. De vraag onder de meerderheid is door de jaren heen: ‘wat is de meeste effectieve manier waarop de overheid/het algemeen belang de nadelige effecten van economische transacties kan beperken?’