En nu iets heel anders

Ik zit toevallig het fenomenale boek ‘Rubicon’ van Tom Holland te lezen, over de staatsgreep van Julius Caesar die een einde maakte aan de, tamelijk democratische, Romeinse Republiek.

Het eerste wetsvoorstel van Julius Caesar, in zijn consulschap in 59 v.C., diende om de soldaten van generaal Pompeius, zijn beschermheer, een pensioen te geven. Principieel tegenstander was Cato, een steile, conservatieve maar gerespecteerde senator met een solide meerderheid achter zich. Hij had ook de steun van Crassus, een andere oude generaal die net als Pompeius onmetelijk rijk was geworden. Een soort oligarchen. Maar die twee waren gezworen vijanden.

Cato won het debat, maar Caesar gaf niet op. Hij legde zijn voorstel voor aan de burgers van Rome, op het Forum. Dat mocht. En een wetsvoorstel goedgekeurd door een meerderheid van de burgers had dezelfde kracht als een wet was aangenomen door de Senaat. ‘Maar om tegen de expliciete wil van de Senaat in te gaan was de tactiek van een gangster,’ schrijft Holland. ‘Caesar zou al zijn krediet bij zijn collega-senatoren verspelen en zijn carriere zou voorbij zijn.’ Maar Caesar kreeg op het plein niet alleen de steun van Pompeius maar onverwacht ook van – Crassus. Die had zijn weerzin tegen Pompeius opzij gezet omdat hij zag dat zij met al hun geld, en de populariteit van Caesar, het machtigste blok van Rome zouden vormen. Caesar’s co-consul, niet meer dan een loopjongen van Cato, probeerde nog de stemming op het plein tegen te houden maar kreeg op bevel van de opperpriester een emmer met mest over zijn hoofd gegooid. Zij lijfwachten werden in elkaar geslagen door soldaten van Pompeius. Caesar won de stemming. Om de zaak dicht te timmeren eiste hij meteen dat de Senaat zou zweren deze nieuwe wet te gehoorzamen. Met het blok Caesar-Pompeius-Crassus tegenover zich, ging de voltallige Senaat door de knieën. Zelfs Cato. Want Cicero had hem gewaarschuwd dat verzet zou leiden tot verbanning. ‘Jij hebt Rome misschien niet nodig, maar Rome jou wel.’