Sérotonine

 

Eén van de charmes van Houellebecq is dat zijn helden altijd zulke ongelooflijke sukkels, zulke enorme losers zijn. Als lezer kikker je daar enorm van op. Je voelt je bij de eerste alinea’s meteen superieur, ook – juist – als het in het echte leven niet mee zit.

‘Mijn eerste handeling ‘s ochtends is de elektrische koffiemachine aanzetten. De avond tevoren heb ik het reservoir gevuld met water en het filter met gemalen koffie (meestal Malongo, ik ben veeleisend gebleven als het koffie betreft). Ik steek pas een sigaret op nadat ik mijn eerste slokje heb genomen; dat is een zelfbeheersing die ik mezelf heb opgelegd en nu mijn grootste bron van trots is.  (ik moet daarbij wel eerlijk vertellen dat elektrische koffiemachines best snel werken.)’

Dat is op pagina 1. Een paar regels verderop een terzijde die Houellebecq zo’n feest maakt: ‘Nicotine is een perfecte drug, een simpele, rechtlijnige drug die geen enkele vreugde brengt maar zijn enige bestaansrecht ontleent aan het verlangen, en het opheffen van het verlangen.’

Onze held deze keer heet Florent-Claude – een naam die hij haat, natuurlijk – en hij is dolende. Hij is ook een beetje een engerd. Een viespeuk. Hij eet ongezond, uit blikjes. Als hij zich wil bezatten doet hij dat niet met whisky of goede wijn maar met flessen Calvados en Grand Marnier. Je krijgt al hoofdpijn als je het leest. Hij rookt ketting. Hij heeft een oerlelijke auto, een Mercedes G350 (zo’n jeep-achtige) uit de jaren ‘90 waar hij helemaal vertederd door is.

Telkens weer maakt hij keuzes waar je verbijsterd naar staat te kijken. Hij verlaat zijn vriendin, een Japanse, omdat hij twee films vindt op haar PC; eentje waarin ze wordt genomen door een groep mannen, eentje waarin ze seks heft met twee honden. Het is Houellebecq wel toevertrouwd om beeldend uit te leggen wat daar onsmakelijk aan is.

Gooi haar het huis uit! Zou je willen roepen. Maar nee, onze held – zijn naam komt maar één of twee keer terug in het verhaal, hij is de vertellende ik – onze held gaat zelf weg. Eerst betrekt hij  een kamer in een treurig Mercure hotel, het enige hotel in Parijs dat nog rokers toelaat.

Als hij na maanden vertrekt is de receptioniste, een aantrekkelijke vrouw van een jaar of 25, zo ontdaan dat ze zich praktisch aan hem aanbiedt. Maar nee, Florent-Claude keert zich om en vertrekt.

Later doolt hij door Frankrijk in zijn Mercedes G350 4×4. Hij zoekt een ex-vriendin op van tien jaar geleden, de enige vrouw waar hij ooit echt van heeft gehouden; hij bespiedt haar een paar weken met een verrekijker, ontdekt dat ze een zoontje van vier heeft maar verder geen echtgenoot; en komt tot de conclusie dat hij dat joch moet doodschieten. Dat kan, want hij heeft van een vriend net een schitterend scherpschuttersgeweer te leen gekregen waarmee hij op 150 meter een munt kan raken.

‘Camille had dus een een exclusieve en diepe relatie met één person – haar zoon. Dat zou nog minstens tien jaar duren, makkelijk 15. (…) Zou Camille zo’n perfecte eenheid als met haar zoon in de waagschaal leggen voor mij? En zou hij, dat kind, de aandacht van zijn moeder willen delen met een andere man? Het antwoord op deze vragen was redelijk duidelijk, en de conclusie dus onontkoombaar: het was hij of ik.’

Logerend in een lelijke bungalow in Normandië is er maar één buurman, een Duitser, die de duinen doortrekt met een camera met telelens. Maar hij krijgt ook elke middag bezoek van een vrolijk klein meisje uit de buurt, dat op haar fiets langskomt. ‘Een pedofiel,’ concludeert onze held. En inderdaad: hij breekt op zeker moment in bij de Duitser, opent de computer, en ziet de filmpjes die hij van het blote kleine meisje heeft gemaakt.

Terwijl we Florent-Claude volgen neemt Houellebecq de gelegenheid te baat om van alles te bespreken. De cultuur van de Spaanse Costa’s: ‘Hollanders zijn klootzakken, ze gaan overal maar zitten waar ze willen, het is volk van veeltalige handelaren en opportunisten.’ Ze mijden hem: ‘niet uit xenofobie, dat zou een innerlijke tegenstrijdigheid zijn want Holland is geen land, maar een onderneming.’

De zegeningen van de Leclerc hypermarkten buiten Parijs, lyrisch van het aanbod en de openingstijden. De Carrefour City, waar je maar liefst 22 soorten hummus kunt krijgen.

De liefde. ‘Op dit punt aangekomen is het misschien nodig dat ik enige uitleg geef over het begrip liefde, vooral voor de vrouwelijke lezers, want vrouwen begrijpen slecht wat mannen onder liefde verstaan, ze zijn constant teleurgesteld over hun houding en gedrag en ze komen vaak tot de foute conclusie dat mannen niet tot liefde in staat zijn, het komt maar weinig voor dat ze doorhebben dat het word ‘liefde’ bij mannen en vrouwen twee radicaal verschillende ladingen dekt.’ De analyse van Florent-Claude die daarop volgt is de moeite waard, kan ik wel verklappen.

De grenzen van de eenzaamheid. Daar gaat ‘Serotonine’ over. Hoeveel kan een mens alleen zijn? ‘Zou ik alleen gelukkig kunnen leven,’ vraagt hij zich af. ‘Zou ik kunnen leven?’ Hij trekt zich steeds meer terug. Van het hotel, naar een leven ‘on the road,’ naar een treurige betonnen wolkenkrabber aan de rand van Parijs, waar hij berekent welke snelheid zijn lichaam zou hebben als hij zich op de 29ste verdieping uit het raam zou gooien – 159 meter per seconde – en ook concludeert dat het geen zin heeft om eerst al zijn geld te verbrassen omdat een dik lichaam niet sneller valt dan een dun lichaam. Galileo.

Maar waarom heet het boek Serotonine? Omdat Florent-Claude sinds zijn vertrek bij de Japanse vriendin een vaste gebruiker is van Captorix, een nieuwe generatie antidepressivum die net als oudere versies het niveau van serotonine in het lichaam verhoogt, maar ‘verrassend effectief is, en patiënten in staat stelt met groot gemak de belangrijkste rituelen van een moderne samenleving te integreren in hun bestaan (zich wassen, beleefd zijn tegen de buren, simple administratieve handelingen) zonder te vervallen in de fouten van de oudere generaties antidepressiva, die de neiging verhoogden tot zelfmoord en zelfverminking.’

Is zijn eenzaamheid gewoon de wens van iemand die zich fundamenteel ongemakkelijk voelt onder de mensen, en zich steeds verder terugtrekt? Of is die machteloosheid het gevolg van de Captorix, waardoor hij geen emotie meer kan voelen, en dus geen contact meer kan maken met zijn medemensen en dus eenzaam wordt? Moeten we als lezers hier een ‘Grosses Thema’ uit vissen en het boek zien als een aanklacht tegen farma? Of zullen we dat maar laten zitten en het erbij laten dat eenzaamheid vreselijk is, of hij nu wordt veroorzaakt door karakter, ervaringen of een pil?

De Captorix krijgt hij van een psychiater waar hij een hekel aan heeft dus gaat hij voor een herhaalrecept naar een dokter genaamd Azote die ‘er meer uitziet als de bassist van een rockband dan als een arts.’ Azote stak twintig jaar geleden bij het consult een Camel op (‘een slechte gewoonte, ik zal de eerste zijn om hem af te raden’) en heeft daarom een warm plekje in het hart van Florent-Claude.

Het eerste bezoek is in December. ‘Wilt u een voorraad voor zes maanden,’ vraagt Azote meteen. Iets later: ‘Wat doet u tijdens de feestdagen? Daar moet u voor oppassen. Voor depressieven zijn die vaak fataal. Ik heb al zoveel klanten gehad waarvan ik dacht dat ze wel gestabiliseerd waren en paf! Op de 31ste maken ze zich van kant. Altijd de 31ste ‘s avonds. Eén minuut na middernacht, en de kust is veilig.’

Dan een tijdje in een klooster gaan zitten? ‘Sja dat kan. Ik heb wel klanten die dat gedaan hebben. Maar u moet niet de hoeren in Thailand vergeten. In Azië merk je helemaal niet dat het  Kerstmis is. En de hotels daar zijn rond deze tijd minder volgeboekt dan de kloosters.

‘Probleem bij u is wel die Captorix. U kunt waarschijnlijk niet meer klaarkomen. Zelfs niet met twee meisjes van 16, kan ik niet garanderen. Maar ja, als dat zo blijkt te zijn dan weet u dat het aan het product ligt, en kunt u gewoon in de zon gaan zitten en u volstoppen met garnalencurry’s.’

Hoe eindigt het? Nou ja, wat denkt u?

En uiteindelijk, wat doet het er toe. Het is de reis die dit boek de moeite waard maakt, niet de bestemming. Een rondreis langs de afgronden van de eenzaamheid.